Wat betekent ʿAqīdah (Geloofsleer) en wat is het belang ervan?
"Al-ʿAqīdah" in de taalkundige betekenis is: afgeleid van "al-ʿAqd (knoop)", wat het vastbinden (Rabṭ) van iets betekent.
Wanneer men zegt: "Ik geloof dit (iʿtaqadtu kadhā)", dan betekent dit: ik heb mijn hart en innerlijk daaraan (stevig vast) geknoopt.
En Al-ʿAqīdah is datgene wat de mens als religie aanhoudt. Er wordt gezegd: "Hij heeft een goede ʿaqīdah", wat betekent: vrij van twijfel (Shak). De ʿaqīdah is een handeling van het hart, en het is het geloof van het hart in iets en de bevestiging daarvan.
"Al-ʿAqīdah" in de religieuze betekenis is: geloof in Allāh, Zijn Engelen, Zijn Boeken, Zijn Boodschappers, de Laatste Dag, en het geloof in de Voorbeschikking, het goede en het slechte ervan. Deze worden de pilaren van īmān genoemd.
De sharīʿah wordt verdeeld in twee categorieën: geloofszaken (d.w.z. ʿaqīdah) en praktische handelingen (d.w.z.. fiqh).
- De geloofszaken: zijn zaken die niet te maken hebben met de manier waarop een handeling wordt verricht. Voorbeelden hiervan zijn: het geloof in de Heerschappij van Allah, de verplichting om Hem te aanbidden, en het geloof in de overige genoemde pilaren van īmān. Deze worden de oorspronkelijke zaken genoemd.
- De praktische handelingen: zijn zaken die te maken hebben met de manier waarop een handeling wordt verricht, zoals het gebed, de zakāh, het vasten en de overige praktische regels. Deze worden aftakkingen genoemd, omdat hun correctheid of verdorvenheid op die geloofszaken gebouwd is.
De correcte ʿaqīdah is dus het fundament waarop de religie rust, en waarmee de daden geldig worden. Zoals Allah, de Verhevene, zegt:
فَمَن كَانَ يَرْجُوا۟ لِقَآءَ رَبِّهِۦ فَلْيَعْمَلْ عَمَلًۭا صَـٰلِحًۭا وَلَا يُشْرِكْ بِعِبَادَةِ رَبِّهِۦٓ أَحَدًۢا
{Wie dus hoopt op de ontmoeting met zijn Heer, laat hem dan goede daden verrichten en niemand als deelgenoot nemen in de aanbidding van zijn Heer.}1
En Allah, de Verhevene, zegt:
وَلَقَدْ أُوحِىَ إِلَيْكَ وَإِلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِكَ لَئِنْ أَشْرَكْتَ لَيَحْبَطَنَّ عَمَلُكَ وَلَتَكُونَنَّ مِنَ ٱلْخَـٰسِرِينَ
{En er is voorzeker geopenbaard aan jou en aan wie vóór jou waren: als jij shirk (afgoderij) zou belijden, wordt jouw werk (goede daden) vast en zeker ongeldig en behoor jij vast en zeker tot de verliezers.}2
En Allah, de Verhevene, zegt:
فَٱعْبُدِ ٱللَّهَ مُخْلِصًۭا لَّهُ ٱلدِّينَ
أَلَا لِلَّهِ ٱلدِّينُ ٱلْخَالِصُ ۚ وَٱلَّذِينَ
{Aanbid dus Allāh, de religie zuiver aan Hem wijdend.}
{Voorzeker, aan Allāh alléén komt de zuivere religie toe. ...}3
Deze edele verzen en de vele andere die dezelfde betekenis dragen, bewijzen dat de daden niet worden geaccepteerd behalve wanneer zij volledig zuiver zijn van shirk.
Om deze reden was de aandacht van de Boodschappers ﷺ allereerst gericht op het corrigeren van de ʿaqīdah.
Het allereerste waartoe zij hun volkeren opriepen, was om Allāh alleen te aanbidden en de aanbidding van al het andere te verlaten.
Zoals Allah, de Verhevene, zegt:
وَلَقَدْ بَعَثْنَا فِى كُلِّ أُمَّةٍۢ رَّسُولًا أَنِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ وَٱجْتَنِبُوا۟ ٱلطَّـٰغُوتَ
{En Wij lieten in elke gemeenschap een Boodschapper opstaan [met de boodschap]: "Voorwaar, Aanbid Allāh en vermijd de ṭāghūt4(d.w.z. alle afgoden).}5
Iedere Boodschapper zei, wanneer hij zijn volk als eerste aansprak:
... اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَهٍ غَيْرُهُ ...
{... Aanbid Allāh. Jullie hebben naast Hem geen ware god. ...}6
Dit zeiden Nūḥ, Hūd, Ṣāliḥ, Shuʿayb en de overige Profeten tegen hun volkeren.
De Profeet ﷺ bleef na zijn zending dertien jaar in Makkah, waarin hij de mensen opriep tot tawḥīd en tot het verbeteren van de ‘aqīdah, omdat zij het fundament is waarop het bouwwerk van de religie rust.
En de Profeet ﷺ verbleef na zijn zending dertien jaar in Makkah, waarin hij de mensen opriep naar de tawḥīd (d.w.z. het enkel alléén Allāh aanbidden) en het corrigeren van de ʿaqīdah (geloofsleer); omdat dit de basis is waarop het bouwwerk van de religie rust.
En de uitnodigers (ad-Duʿāt / الدُّعَاةُ) en de hervormers (al-Muṣliḥūn / المُصْلِحُونَ) hebben in elke tijdlaag het voorbeeld van de profeten en de boodschappers gevolgd. Zij begonnen dan ook met de uitnodiging naar at-Tawḥīd en het corrigeren van de ʿaqīdah, om zich pas daarna te richten op het bevelen van de overige voorschriften van de religie.
De uitnodigers en hervormers hebben in iedere tijd het voorbeeld van de Profeten en Boodschappers gevolgd. Zij begonnen met de uitnodiging naar tawḥīd en het corrigeren van de ʿaqīdah. Daarna richtten zij zich op het bevelen van de overige geboden van de religie.
Voetnoten
- 1.Al-Kahf(18): 110 ↩
- 2.Az-Zumar(39):65 ↩
- 3.Az-Zumar(39):2-3 ↩
- 4.Ibn al-Qayyim zei: "Aṭ-Ṭāghūt is alles waarbij de dienaar zijn grens overschrijdt, of dat nu iets is wat aanbeden wordt, gevolgd wordt of gehoorzaamd wordt." - Iʿlām al-Muwaqqiʿīn, deel 1, p. 40, Dār Al-Kutub al-ʿIlmiyyah, 1e druk. ↩
- 5.An-Naḥl(16):36 ↩
- 6.Al-Aʿrāf():59, 65, 73, 85 ↩
Bron: ʿAqīdat at-Tawḥīd wa Bayān mā Yuḍāduhā min ash-Shirk al-Akbar wal-Aṣghar wat-Taʿṭīl wal-Bidaʿ wa Ghayri Dhālik: Hoofdstuk 1, p. 5-7.
